“Meer dan 100 jaar is er een sterk verband bekend tussen een tekort aan vitamine A en een verergering van mazelen, vooral bij jonge kinderen. Is de tijd aangebroken dat de medische wereld zich realiseert dat een kind met complicaties van mazelen vitamine A toegediend hoort te krijgen? En dat de volledige voedingsstatus geëvalueerd moet worden? Zo niet, wat hebben we dan geleerd van de geschiedenis?” ~ Adrianne Bendich, 1992

Mazelen is een hoogst besmettelijke infectieziekte waar we tegenwoordig niet veel over nadenken. Er is immers 50 jaar geleden een vaccin ontwikkeld dat het probleem ‘overwonnen’ heeft. (1) Maar wacht eens even… ondanks het feit dat het mazelenvaccin al een halve eeuw bestaat wordt mazelen door medische autoriteiten nog steeds gezien als een ernstige bedreiging.

Op het vijftigjarige jubileum van het vaccin zong de media een universele lofzang. Iedereen die twijfelt over de waarde van mazelenvaccins, of ieder ander vaccin, wordt getorpedeerd omdat de wetenschap achter mazelenvaccins gezien wordt als ongenaakbaar. Voorstanders zeggen dat alleen complotdenkers en gekken eraan twijfelen.

Maar er zijn feiten over de geschiedenis van mazelen die zelden het daglicht zien. Hier zijn 14 punten die ons niet verteld zijn door beleidsmakers, artsen of journalisten.

 

1. Overlijdensgevallen door de mazelen waren met bijna 100% afgenomen vóór de invoering van het mazelenvaccin

In de 19e eeuw was mazelen een noemenswaardige oorzaak van sterfgevallen. Epidemieën vonden elke paar jaar plaats, met een grote hoeveelheid ziekenhuisopnames als gevolg. In Glasgow, Engeland, besloegen mazelen 11% van alle sterfgevallen tussen 1807-1812. In de jaren 1867-1872 stierven 49% van alle kinderen die mazelen opliepen in een Parijs’ weeshuis. (2) Sterfgevallen ten gevolge van alle infectieziektes, inclusief mazelen, begonnen af te nemen vanaf het midden tot het einde van de 19e eeuw. In 1930 was in Engeland en de Verenigde Staten de kans om te sterven aan de gevolgen van mazelen gedaald naar 1-2 procent.

Een gedood mazelenvirus bevattend vaccin werd in 1963 geïntroduceerd in de Verenigde Staten. Wat ons niet verteld wordt is dat tegen die tijd de overlijdensgevallen ten gevolge van mazelen al gedaald waren met minstens 98%. (3)

grafiek mazelen

Sommige staten in New England hadden helemaal geen sterfgevallen ten gevolge van mazelen. In het jaar 1963 waren er in heel New England (Maine, New Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode Island en Conneticut) maar 5 sterfgevallen die toegeschreven werden aan mazelen. Overlijden door astma kwam 56 maal vaker voor, door ongelukken 935 maal vaker, ongelukken met gemotoriseerde voertuigen 323 maal, andere ongelukken 612 maal en door hartziektes 9,560 maal vaker. (4)

In Engeland werd het mazelenvaccin ingevoerd in 1968. Tegen die tijd waren sterfgevallen bij mazelen heel zeldzaam. Het daadwerkelijke aantal doden ten gevolge van mazelen was gedaald tot bijna volledig 100%. (5)

 

Grafiek daling sterfte aan mazelen

 

2. Het mazelenvaccin veroorzaakte een ernstige ziekte genaamd a-typische mazelen

Historisch gezien veroorzaakte mazelen hoge koorts, hoesten en mazelen-uitslag.

“…bijna plotseling verschenen coryza (verkoudheid), waterige rode ogen, en overgevoeligheid voor licht, snel gevolgd door een onaangename hoest en koorts tot 39.4o en  40o Celsius.” (6)

Het eerste vaccin waarmee geëxperimenteerd werd was een levend verzwakt mazelenvaccin. Dit vaccin veroorzaakte veel hogere koorts bij ongeveer de helft van de kinderen die het toegediend kregen. In plaats van de koorts van 39.4o koorts die ze konden krijgen bij normale mazelen kregen zij 41.1o koorts.

“Het vaccin veroorzaakte echter een veranderde uitslag bij 48% van de gevaccineerde kinderen en koorts tot 41.1o Celsius bij 83 procent.” (7)

Om dit probleem te verminderen werden er naast de levende vaccins mazelen antilichamen toegediend in de vorm van immuun serum globuline. Dit gebruik verminderde de zichtbare reacties (koorts en uitslag) op het levende virus in het vaccin maar had mogelijke gevolgen die zeer ernstig waren.

“Data toonde een sterke correlatie tussen de afwezigheid van exantheem (uitslag) en auto-immuunziektes, seborroïsche  huidziektes, degeneratieve botziektes en bepaalde tumoren…We vermoeden dat de uitslag veroorzaakt wordt door een cellulair gemoduleerde immuunreactie die de met mazelenvirus geïnfecteerde cellen vernietigd. Als dit correct is kan het ontbreken van exantheem een indicatie zijn dat intracellulaire virusdeeltjes niet geneutraliseerd zijn gedurende de acute infectie. Dit kan later leiden tot het ontstaan van eerder genoemde ziektes… De aanwezigheid van specifieke antistoffen tijdens de infectie interfereert met de normale immuunrespons tegen het mazelenvirus, in het bijzonder met de productie van specifieke cellulair gemoduleerde immuniteit (en/of cytotoxische reacties). Het intracellulaire mazelenvirus kan dan de acute infectie overleven en ziektes veroorzaken die zich op volwassen leeftijd manifesteren.” (8)

Met andere woorden, het onderdrukken van de mazelen-uitslag en -koorts, wat op dat moment een goed idee zou kunnen lijken, verstoort de normale immuunrespons. Het verstoren van de immuunrespons van het lichaam in een poging om een ergere vaccinreactie te voorkomen heet misschien toekomstige problemen veroorzaakt bij de volwassenen die deze behandeling hebben ondergaan. Een aanbeveling om af te zien van gebruik van immuun serum globuline werd in 1968 gedaan, maar het bleef daarna nog lang gebruikelijk. (9) Vandaag de dag wordt het nog steeds toegepast.

“…vier contacten het BMR vaccin niet gekregen hebben, of met contra-indicaties voor het BMR vaccin kregen immunoglobuline toegediend.” (10)

Een studie uit 1967 toonde aan dat het gebruik van het gedode mazelenvaccin longontsteking en buikpijn kan veroorzaken, evenals encefalopatie (ontsteking van de hersenen). Deze zware bijwerkingen waren “onvoorzien”.

“Longontsteking is een consistent en prominent resultaat. Koorts is ernstig en aanhoudend en de mate van hoofdpijn, indien aanwezig, wijst erop dat het centraal zenuwstelsel aangedaan is. Er werd inderdaad bij een patiënt bewijs aangetroffen van verstoorde elektrische activiteit in de hersenen tijdens een onderzoek via een EEG, welke wees op encefalopatie … Deze ongewenste resultaten van inactieve mazelenvirus immunisatie waren onvoorzien.” (11)

A-typische mazelen is een ernstige vorm van mazelen en trad op na het oplopen van natuurlijke mazelen of vaccinatie met een levend-mazelen-vaccin, als er eerder ingeënt was met het KMV vaccin.

“Atypische mazelen werden gekarakteriseerd door een hogere en langduriger koorts, ongewone huidlaesies en ernstige pneumonitis vergeleken met mazelen in ongevaccineerde personen. De uitslag werd vaak vergezeld door aanwijzingen van bloedingen en vesiculatie. De pneumonitis omvatte kenmerkende nodulaire parenchymale lesies en hilaire adenopathie. Buikpijn, hepatische disfunctionaliteit, hoofdpijn, eosinofilie, pleurale effusie en oedeem werden ook beschreven.” (12)

Er werden bijna 2 miljoen dosissen KMV vaccin verspreid in 1963-1967. Het gedode vaccin werd meestal toegediend in een serie van 2-4 dosissen met een interval van een maand. Atypische mazelen werden gemeld tot zelfs 16 jaar na toediening van het KMV vaccin. Atypische mazelen ten gevolge van het KMV vaccin kon dodelijke gevolgen hebben.

“Op 18 februari 1978 stierf een 13-jarig meisje na opname in het universitair ziekenhuis in Ann Arbour, Michigan met de diagnose van hersenvliesontsteking en longontsteking door mazelen. De patiënt was in 1966 of 1967 gevaccineerd met drie injecties van het gedode mazelenvaccin. Een week voor opname, en 10 dagen na een bevestigde blootstelling aan mazelen ontwikkelde ze koorts, hoofdpijn, rillingen, hoesten, rinorroe en ernstig braken. Een fijne uitslag ontwikkelde zich op armen en verspreidde zich naar de romp en het gezicht. Na onderzoek stelde de huisarts atypische mazelen vast. Een week later, op 23 januari, nam haar koorts toe en had ze haar eerste insult… Na opname kreeg ze intraveneuze penicilline en hydrocortison toegediend. Ondanks behandeling met anti-epileptische middelen bleef ze lokale en daarna algehele insulten krijgen… Over de daaropvolgende dagen begon de uitslag te verdwijnen, maar ze bleef comateus. Ze stierf op de 21e dag van ziekenhuisopname.” (13)

3. Mazelen hoorde in 1967 uitgeroeid te zijn

Met de ontwikkeling van het gedode en daarna het levende vaccin werd er in de herfst van 1966 een campagne gestart om mazelen in de Verenigde Staten uit te roeien. Door middel van het vaccineren van alle vatbare 8 tot 10 miljoen kinderen werd geprojecteerd dat tegen 1967 mazelen in de Verenigde Staten uitgeroeid zou zijn.

“Hoogst effectieve, veilige vaccins zijn beschikbaar voor het elimineren van mazelen in de Verenigde Staten. Samenwerkingsverbanden van professionele en vrijwillige medische en publieke gezondheidsorganisaties worden gericht op het uitroeien van de ziekte tegen 1967.” (14) 

“Effectief gebruik van deze vaccins gedurende de komende winter en lente zou het uitroeien van mazelen in de Verenigde Staten moeten garanderen.” (15)

15 jaar later was het voorkomen van mazelen gedaald, maar de verwachte snelle uitroeiing heeft niet plaatsgevonden. De reactie hierop was alle kinderen te gaan vaccineren in plaats van alleen de ‘vatbare’ kinderen. Het nieuwe plan werd om mazelen tegen 1982 uit te roeien in de Verenigde Staten.

“Op 4 oktober 1978 kondigde de secretaris van het ministerie van Gezondheid, Onderwijs en Welzijn, Joseph A. Califano, Jr., aan dat de Verenigde Staten zou streven om inheemse mazelen voor 1 oktober 1982 te elimineren in USA. Dit doel was ‘haalbaar’ vanwege de afname van mazelen in de Verenigde Staten en de grote vooruitgang geboekt door de ‘Nationwide Childhood Immunization Initiative’ in het behalen van een immunisatie niveau van minstens 90% van iedereen onder de 15 jaar oud tegen 1 oktober 1979.” (16)

Er was echter pas in 1980 dat een stabiel levend vaccin beschikbaar werd. Diegenen die gevaccineerd zijn voor 1980 waren misschien niet zo goed beschermd als oorspronkelijk werd aangenomen, want later werd geconstateerd dat deze oudere vaccines niet effectief waren.

“Dr Ralph D. Feigin, hoofdarts van het Texas Kinderziekenhuis in Houston en expert in infectieziekten zei dat mensen geboren voor 1956 normaal gesproken immuun waren voor mazelen omdat bijna ieder kind blootgesteld was aan de ziekte. Het vaccin werd eerst ontwikkeld in 1963, maar was gemaakt met een gedood virus en niet werkzaam. In 1967 werd een levend vaccin geïntroduceerd, maar het was een onstabiele oplossing en verloor zijn effectiviteit als het niet afdoende gekoeld werd bewaard. Het was pas in 1980 dat een stabiel vaccin beschikbaar werd. Als gevolg hiervan is het mogelijk dat mensen die gevaccineerd waren voor 1980 niet immuun zijn. Het verklaart waarom mazelen uitbreekt op universiteitscampussen.” (17)

In het jaar 2000 waren de aantallen afgenomen, en werden mazelen uitgeroeid verklaard in de Verenigde Staten – 33 jaar na de oorspronkelijk doelstellingsdatum. Het CDC kwam echter terug op die verklaring in 2012, met de mededeling dat mazelen opnieuw verschenen waren en zich verspreidden. Van het totaal aantal gevallen werden er 200 toegeschreven aan buitenlandse reizen, maar de bron voor 22 gevallen werd nooit vastgesteld. (18)

4. Er werd gezegd dat een enkele injectie levenslange immuniteit zou bieden

Edward Jenner wordt gezien als de uitvinder van het eerste vaccin in 1798, hoewel het bekend is dat het gebruik van zieke mensen en/of menselijk pus in een poging om bescherming tegen ziektes te bieden al veel vroeger werd toegepast. Jenner’s vaccin zou bescherming bieden tegen de pokken. Hij maakte de foutieve claim dat het zelfs levenslange bescherming zou bieden. Deze claim bleek later volledig onwaar te zijn en de claims over het vaccin werden aangepast met de bewering dat het tijdelijke bescherming bood welke de ziekte ‘milder’ zou laten verlopen.

Net als in het bovenstaande geval beweerden de uitvinders van het mazelenvirus dat dat het vaccin levenslange immuniteit zou geven met een enkele injectie.

“Het mazelenvirus-vaccin wordt aangeraden voor alle personen die noch de mazelen hebben doorgemaakt, noch eerder zijn gevaccineerd. Er wordt verondersteld dat een dosis van het levend-verzwakte vaccin levenslange bescherming biedt.” (19)

“De ‘United States Public Health Service’ erkende een nieuw, verfijnder levend mazelenvaccin. Hoewel een aantal levende vaccins zijn erkend sinds 1963 – allemaal behandelingen met eenmalige injectie welke levenslange bescherming bieden zonder ernstige bijwerkingen- wordt het nieuwe vaccin door epidemiologen gezien als “tot nu toe de beste qua minimaliseren van de bijwerkingen.” (20)

Vóór het tijdperk van vaccinatie kwamen mazelen vooral voor bij jonge kinderen. Met de invoering van vaccinatie vond er een verschuiving plaats in de leeftijd van besmetting naar de adolescentie.

“Het aantal gemelde mazelengevallen in 1976 en 1977 liep op tot het hoogste niveau sinds 1971. Een groot deel van de toename was het resultaat van lokale mazelenuitbraken, waarvan veel plaatsvonden in schoolpopulaties, vooral onder de 10 tot 19-jarigen, in gemeenschappen waarvan werd gedacht dat ze een hoog niveau van immuniteit hadden… Met de recente verschuiving van de leeftijdsdistributie van gemelde mazelengevallen naar oudere leeftijdsgroepen zou epidemiologische preventie kunnen vereisen dat alle vatbare personen van middelbare school – en universiteits-leeftijd alsook jongere kinderen van schoolgaande leeftijd gevaccineerd worden… (21)

Vanwege deze verschuiving moest het vaccin worden toegediend aan deze oudere populatie, welke historisch gezien veel eerder mazelen zou hebben gekregen en daardoor levenslange immuniteit zou moeten hebben. Een significant percentage van deze groep ontwikkelde koorts, die net zo hoog, of hoger was als wanneer ze natuurlijke mazelen zouden doormaken.

“Vanwege de verschuiving naar een hogere leeftijdsverdeling in gemelde gevallen moet de immuunstatus van alle adolescenten geëvalueerd worden. Volledige controle over mazelen vereist bescherming van alle vatbare personen; daarom moet meer nadruk geplaatst worden op het vaccineren van vatbare adolescenten en jongvolwassenen… ongeveer 5%-15% van gevaccineerden kunnen koorts ontwikkelen van >39.4 C, beginnende op ongeveer de zesde dag na vaccinatie met een duur van tot 5 dagen…” (22)

Het idee van een enkele injectie is in het huidige aanbevolen schema van het CDC vervangen met vaccineren op 12-15 maanden en 4-6 jaar (23), en nu wordt zelfs vaak tegen volwassenen gezegd nog een vaccin te halen. Deze aanbeveling voor een tweede injectie werd gedaan na herhaaldelijk falen om mazelen te elimineren met een enkele injectie.

“Minstens een staat, New York, heeft al stappen ondernomen om twee dosissen te eisen. Alle leerlingen die in september 1990 beginnen met de kleuterschool moeten bewijzen dat ze twee mazelen-injecties hebben ontvangen, aldus Frances Tarlton, een woordvoerder voor de ‘State Health Department’ in New York. Het nieuwe beleid van de pediatrische academie raadt aan dat de eerste dosis gegeven wordt samen met immunisaties tegen de bof en rodehond op 15 maanden. De tweede zou worden gegeven met de bof- en rodehond immunisaties bij het begin van de basisschool of tegen het einde van de basisschool.” (24)

Het idee van levenslange immuniteit kwam van de observatie dat degenen die waren blootgesteld aan natuurlijke mazelen voor een lange periode of levenslang immuun waren.

“Een van de opmerkelijke observaties over mazelen is dat immuniteit door natuurlijke infectie levenslang lijkt aan te houden: aldus observeerde Panum dat in 1781 aan mazelen blootgestelde individuen op de Faroe eilanden nog steeds immuun waren toen het virus 65 jaar later, in 1846, werd geherintroduceerd.” (25)

In tegenstelling tot natuurlijke mazeleninfectie blijkt dat het mazelenvaccin echter niet zulke langdurige bescherming biedt. Het neemt na een aantal jaar af. De duur van de bescherming wordt in dit onderzoek geschat op ongeveer 25 jaar.

“Omdat mazelen specifieke antistoffen titer na vaccinatie lager is dan na natuurlijke infectie is de vrees dat gevaccineerde personen langzamerhand bescherming tegen mazelen kwijtraken. Secundair vaccinfalen (verlies van immuniteit naar verloop van tijd), gecontrasteerd met primair vaccinfalen (geen bescherming direct na vaccinatie), is zorgelijk vanwege de mogelijkerwijs sluipende uitdaging tegenover eliminatie van mazelen. Als bijvoorbeeld vaccin-geproduceerde immuniteit afneemt tot niet beschermend niveau in een hoog percentage van gevaccineerde volwassenen, kan het niveau van bescherming van de algehele populatie afnemen en het terugkeren van epidemieën toestaan. Door middel van statistische modellen voorspelden Mossong et al. 25 jaar na immunisatie afname van vaccin-geproduceerde immuniteit.” (26)

Net als bij het pokkenvaccin en het mazelenvaccin, werd er over de meeste vaccins initieel geclaimd dat ze levenslange bescherming boden. De ervaring heeft echter geleerd dat bij vaccins dit nooit het geval was en bij natuurlijke infectie wel.

5. Grote uitbraken vinden nog steeds plaats onder grotendeels gevaccineerde populaties

In het pre-vaccinatie tijdperk circuleerde mazelen vrijelijk, wat een natuurlijke vernieuwing van bescherming bood in de populatie. Het opnieuw optreden van mazelen was zeldzaam na natuurlijke besmetting met mazelen in de kindertijd. De solide, levenslange bescherming die het gevolg is van natuurlijke infectie is vervangen door een vaccin-geproduceerde immuniteit die naar verloop van tijd afneemt. Afnemende immuniteit onder gevaccineerden in combinatie met lagere natuurlijke vernieuwing van immuniteit zal substantiële aantallen mensen creëren die vatbaar zijn voor mazelen in populaties met een hoge vaccinatiegraad.

“…afname van door vaccin opgewekte immuniteit kan een significante impact hebben, voornamelijk omdat de beschikbare data laat zien dat deze mate van afname veel voorkomt. Door het effect op zoveel individuen in een gemeenschap met een hoge vaccinatiegraad kan het een significant aantal vatbaar maken voor infectie.”(27)

Deze combinatie van effecten kan ondanks hoge vaccinatiepercentages resulteren in grootschalige mazelenepidemieën.

“Als immuniteit afneemt heeft vaccinatie een beperkte impact op het gemiddelde aantal gevallen. Hoewel deze observatie duidelijke implicaties heeft voor de volksgezondheid, zijn de dynamische consequenties van de interactie tussen vaccinatie, afnemende immuniteit en herhalingsvaccinatie veel opvallender. Door een hoog percentage vaccinatie (hoger dan 80%) en een beperkt niveau van afname van immuniteit (groter dan 30 jaar) kunnen grootschalige epidemiologische cycli worden geïnduceerd.” (28)

Dr. James Cherry gaf het commentaar dat in het post-vaccinale tijdperk mazelen was verworden tot een “tijdbom”. (29) Is dit waarom de CDC en gezondheidsambtenaren in paniek raken als er mazelen uitbreken onder goed gevaccineerde populaties? Weten zij dat er een moment komt waarop afnemende immuniteit zelfs een epidemie zal veroorzaken in een goed gevaccineerde populatie? Overweeg de impact van deze dynamiek wanneer de echt immune senioren uit de populatie verdwijnen en worden vervangen door vaccin-‘geïmmuniseerde’ personen.

6. Baby’s zijn vatbaarder geworden voor mazelen

Moeders geven natuurlijkerwijs allerlei beschermende immunoglobulinen door aan hun baby’s via de placenta, en deze beschermen enkele maanden. Ze geeft ook algemene en specifieke immuniteit door via haar melk. Een moeder die de natuurlijke mazelen heeft gehad biedt de baby 12 tot 15 maanden bescherming tegen mazelen tijdens de borstvoeding. Gevaccineerde moeders geven een korter durende bescherming door aan hun baby’s. In het tijdperk van vaccinatie zijn baby’s op een veel jongere leeftijd vatbaar voor mazelen.

“Afnemende immuniteit kan een toenemend probleem worden met het toenemen van de vaccin-dekking: omdat meer moeders gevaccineerd zullen zijn en aangezien ze niet zijn blootgesteld aan mazelen of deze hebben doorgemaakt zullen ze lagere niveaus van maternale antilichamen doorgeven. Hierdoor zijn hun baby’s vatbaar voor mazelen vanaf 3 tot 5 maanden oud.” (30)

Vanwege deze afname van maternale antilichamen zijn er geluiden om baby’s op jongere leeftijd te vaccineren.

“Als kinderen van gevaccineerde moeders hun maternale antilichamen eerder kwijt zijn dan kinderen van natuurlijk geïnfecteerde moeders, kan het nodig zijn om de eerste dosis BMR (Bof, Mazelen, Rode hond) op jongere leeftijd toe te dienen als mazelen, bof of rode hond bij jonge baby’s begint op te treden.” (31)

Dit is al een veelvuldig voorkomend gebruik in heel jonge baby’s in overbevolkte arme landen.

7. Immuniteit is niet altijd immuniteit: Verschuivende gronden

Vanwege het KMV-vaccin, gebrek aan begrip van maternale antilichamen en het gebruik van serum globuline, kregen in 1977 een grote hoeveelheid mensen te horen dat ze opnieuw gevaccineerd moesten worden.

“De volgende personen kunnen niet gezien worden als afdoende beschermd en zouden overnieuw gevaccineerd moeten worden: (1) kinderen die gevaccineerd zijn met het levende mazelenvaccin voordat ze 12 maanden oud waren (2) kinderen die levend, verder verzwakt vaccin hebben gekregen (SchwarzR of MoratenR strengen) in combinatie met immuunserum globuline (ISG), onafhankelijk van leeftijd ten tijde van vaccinatie (3) personen die eerder gevaccineerd zijn met gedood mazelenvaccin (4) personen die eerder gevaccineerd zijn met levend mazelenvaccin binnen drie maanden na het ontvangen van gedood mazelenvaccin…” (32)

Tegen 1989, vanwege meerdere problemen – inclusief de vaststelling dat de oudere vaccins niet effectief waren – werd iedereen onder de 32 jaar (iedereen geboren na 1957) aangeraden zich opnieuw te laten vaccineren.

“Alle kinderen in de Verenigde Staten zouden een tweede vaccinatie tegen mazelen moeten krijgen, net als volwassenen onder de leeftijd van 32, zegt de ‘American Academy of Pediatrics’. Een soortgelijke aanbeveling wordt later dit jaar verwacht van het ‘Centers for Disease Control’, aldus Dr. Walter O. Orenstein, hoofd van de afdeling voor immunisatie van de Federale organisatie in Atlanta. De nieuwe aanbevelingen roepen op tot een geleidelijke campagne, niet een overhaaste poging, om een tweede mazelenvaccinatie te geven aan iedereen onder de 32 jaar oud.” (33)

8. Immuniteit zonder antilichamen

Wetenschappers waren verbaasd toen ze erachter kwamen dan individuen die niet in staat zijn antielichamen te produceren, ( een aandoening die agammaglobulinemia genoemd wordt), net zo goed herstelden van mazelen als individuen die wel antilichamen produceren. Deze ontluisterende ontdekking werd gedaan in de jaren ‘60 toen mazelenvaccinaties nog maar net op gang kwamen.

“Een van de meest ontluisterende ontdekkingen in klinische geneeskunde was dat kinderen met erfelijke agammaglobulinemia, welke geen antilichamen konden produceren en alleen verwaarloosbare hoeveelheden immunoglobuline in omloop hadden, op de normale wijze mazelen opliepen, de normale sequentie van symptomen en verschijnselen vertoonden en vervolgens immuun waren. Er waren geen aantoonbare mazelen-antilichamen in hun serum [het waterige deel van het bloed minus stollingsfactor en cellen].” (34)

Het antilichaam-gedeelte van immuniteit is dus helemaal niet noodzakelijk voor het natuurlijke herstel van mazelen, noch voor de immuniteit bij hernieuwde blootstelling.

“…kinderen lijdend aan syndromen met gebrek aan antilichamen hebben onopmerkelijke infecties met mazelen met de karakteristieke uitslag en normaal herstel. Voorts zijn ze niet overmatig vatbaar voor herinfectie. Het lijkt er daarom op dat serum antilichaam, in iedere mate en elke kwantiteit, niet vereist is voor de productie van mazelen exantheem; noch voor normaal herstel van de ziekte, noch om herbesmetting te voorkomen. “(35)

Niettemin hebben vaccinwetenschappers en volksgezondheid officials “immuniteit” gemeten door zich te focussen op antilichamen. Productie van antilichamen vindt plaats bij natuurlijke infectie, maar het is het laatste dat plaats vindt en geen noodzakelijk deel van herstel of immuniteit op de lange termijn. Het is bekend dat het immuunsysteem reageert met meer dan slechts antilichamen, maar omdat markers van cel-gereguleerde immuniteit ongrijpbaar zijn, zijn antilichamen de maatstaf geworden om aan te tonen of een persoon wel of niet immuun is.

Als een persoon voor het eerst een infectieziekte krijgt gebruik het immuunsysteem zijn inherente vermogens, welke grotendeel cellulaire immuniteit betreffen. Tijdens dat proces bereidt het lichaam zich voor op toekomstige blootstelling. De volgende keer dat hetzelfde infectueuze element langs komt; zal het lichaam zijn herinnering van de eerste ervaring gebruiken zodat het sneller kan reageren. Dit wordt gedaan met of zonder antilichamen.

9. Vitamines A en C zijn de sleutel tot normaal herstel van mazelen.

Door de eenzijdige focus op vaccinatie en antilichaamreactie worden alle andere benaderingen voor het omgaan met mazelen grotendeels genegeerd. Het is echter sinds het begin van 1900 bekend dat bepaalde vitamines een significante impact hebben op de gevolgen van mazelen.

Vitamine A voorkomt dat het mazelenvirus zich snel deelt in cellen door het stimuleren van het aangeboren immuunsysteem in niet geïnfecteerde cellen, wat helpt voorkomen dat het virus nieuwe cellen infecteert. Het is tegenwoordig bekend dat een laag niveau van vitamine A correleert met toegenomen morbiditeit (ziekte), en mortaliteit (sterfte). Vitamine A is een grondig bewezen interventie voor het terugdringen van mortaliteit, secundaire (bovenop de mazelen optredende) infecties en ziekenhuisopname.

Als het lichaam een infectie bevecht, en specifiek bij mazelen, worden voorraden vitamine A uitgeput door verschillende processen. Mazeleninfectie en hoog-titer mazelenvaccin verhinderen beiden cel-gereguleerde immuniteit, deels door uitputting van vitamine A.

Dr. Ellison rapporteerde in 1932 dat doorvoede kinderen zelden stierven of ernstige infectueuze complicaties hadden van mazelen, zelfs zonder sulfonamiden en andere primitieve antibiotica. In 1932 constateerde wetenschappers al dat sterfte met 58 procent daalde als in het ziekenhuis opgenomen kinderen levertraan kregen, welke vitaminen A en D en omega-3 vetzuren bevat. Latere studies in de jaren ‘90 toonden zeer positieve resultaten waarbij vitamine A de sterfte terugdrong met 60 tot 90 procent.

“Gecombineerde analyses toonden aan dat toediening van hoge dosissen vitamine A aan patiënten gehospitaliseerd met mazelen werden geassocieerd met een geschatte reductie van 60% in het algemene risico van overlijden, en met een geschatte reductie van 90% bij baby’s… Toedienen van vitamine A bij kinderen die longontsteking ontwikkelden voor of tijdens ziekenhuisopname zorgde voor een afname van mortaliteit van ongeveer 70% vergeleken met kinderen in een controlegroep.” (36)

Tegen 2010 was het algemeen geaccepteerd dat toediening van vitamine A tijdens acute mazelen leidde tot een significante afname in zowel bijwerkingen als sterfgevallen.

“Toedienen van vitamine A verlaagt ook opportunistische infecties zoals longontsteking en diarree welke geassocieerd zijn met door het mazelenvirus veroorzaakte immunosuppressie. Het is aangetoond dat supplementeren met vitamine A het risico van complicaties van longontsteking na een acute mazelenepisode kan verminderen. Een studie in Zuid Afrika toonde aan dat de mortaliteit kon worden verlaagd met 80% bij acute mazelen met complicaties door supplementatie met hoge dosis vitamine A.” (37)

Wat is er met deze kennis gebeurd in het tijdperk van vaccinatie-ontwikkeling? Hoe veel sneller zou de afname in de curve van overlijdens zijn doorgezet als dit basisfeit wijd was geaccepteerd toen het voor het eerst werd opgemerkt in het begin van 1900?

Beschikbaarheid van fruit en groente rijk aan vitamine C was een andere factor in het terugdringen van morbiditeit en mortaliteit bij ziekte. Er waren verbeterende trends in algehele voedingsstatus zoals gezien in een parallel in de afname van overlijden door mazelen en de ziektes veroorzaakt door gebrek aan vitamine C.

grafiek

Experimenten uitgevoerd in de jaren ‘40 toonden aan dat vitamine C effectief was tegen mazelen, vooral wanneer toegediend in hogere dosissen.

 

 

 

 

 

“Tijdens een (mazelen)epidemie werd vitamine C profylactisch gebruikt en allen die zoveel als elke zes uur 1000 mg toegediend kregen, intraveneus of intramusculair, waren beschermd tegen het virus. Oraal bood per 2 uur 1000 mg in vruchtensap geen bescherming, tenzij het de hele dag werd toegediend. Verdere bevindingen waren dat 1000 mg oraal, vier tot zes keer, elke dag, de aanval verminderde. Als bij het verschijnen van de koplik-plekken en koorts, de toediening werd opgevoerd tot 12 dosissen per 24 uur verdwenen alle tekenen en symptomen in 48 uur.” (38)

In 1917 gebruikte Dr. Drummond kaneel bij de behandeling van verkoudheid en raadde het gebruik daarvan aan bij mazelen. Op dat moment werd mazelen nog gezien als een ernstige ziekte, waaraan elk jaar ongeveer 10.000 mensen, voornamelijk kinderen onder de vijf, stierven in Engeland en Wales.

“Dr. W. B. Drummond, Medisch Hoofdopzichter van het Baldovan Instituut voor Zwakzinnigen, beschrijft in ‘The British Medical Journal’ zijn ervaringen met kaneel in de preventieve behandeling van rodehond. Hij dringt aan op breed gebruik in een poging om epidemieën van mazelen te voorkomen… Kaneel is een medicijn waarvan de therapeutische eigenschappen onvoldoende erkend worden. Kaneelextract in dosissen van vijfentwintig druppels is een van de meest effectieve remedies in gevallen van acute coryza [ontsteking van neusslijmvliezen]… enige jaren geleden werd een artikel gepubliceerd in ‘The Journal’ welke een sterk argument aandroeg voor het preventieve gebruik van kaneel bij mazelen. (39)

In 1919 merkte Dr. Drummond op dat kaneelolie een effectieve profylaxe was tegen mazelen of dat het mazelen een milder verloop gaf.

“Het is mijn gewoonte wanneer ik een geval van mazelen tegenkom in een familie, om een behandeling met kaneel voor te schrijven aan alle onbeschermde leden van de familie. In het grootste deel van de gevallen ontsnapt de op deze wijze [met kaneel] behandelde persoon volledig aan de ziekte [mazelen] of had het in een heel milde vorm.” (40)

Het is moeilijk te zeggen waarom kaneel precies zo goed hielp, maar tegenwoordig weten we dat het veel positieve eigenschappen bezit. Het is een antioxidant en bevat vitamine A en C en mineralen zoals zink, kalium, magnesium en mangaan.

10. Hoog-titer mazelen vaccin veroorzaakte toename van sterfgevallen in arme landen

Door gebrek aan begrip dat het mazelenvaccin vitamine A voorraden opgebruikt en een volledig focus op antilichaamreactie, veroorzaakte vaccinatie soms een toename van sterfgevallen.

“Voorgaande studies hebben verhoogde mortaliteit en immuun-abnormaliteiten getoond onder meisjes geïmmuniseerd met hoog-titer mazelenvaccin, 2 tot 4 jaar na immunisatie… onze resultaten toonden aan dat serumconcentraties vitamine A onderdrukt waren na mazelenvaccinatie, onafhankelijk van of het ging om het monovalente- of gecombineerde mazelenvaccin.” (41)

De auteurs van de studie concludeerden dat ze, in plaats van het kijken naar antilichaam reactie, zouden hebben moeten zoeken naar lange termijn uitkomsten om de echte resultaten van hun experimenten te meten.

“Hoog-titer vaccins, zoals mazelen, veroorzaken lange termijn verstoring van immuunfunctie, inclusief een disbalans in de reactie van de types helper T cellen… De boodschap is duidelijk. Strategieën waarbij vaccinaties bij baby’s met maternale antilichamen of nieuwe mazelenvaccins worden betrokken moeten getest worden in gerandomiseerde onderzoeken, waarbij het eindpunt mortaliteit is en niet een surrogaat effect zoals mazelen antilichaam liter.” (42)

“Het mazelenvaccin is geassocieerd met andere onverwachte negatieve resultaten in lange termijn studies. In ontwikkelingslanden werd het gebruik van een hoog-titer vaccin op 4-6 maanden oud geassocieerd met een onverwachte hoge mortaliteit door infectueuze ziekten bij meisjes tot de leeftijd van 2 jaar.” (43)

11.Je kan van het BMR-vaccin mazelen krijgen en het mazelenvirus verspreidden

De conventionele gedachte zegt dat je absoluut geen mazelen kan krijgen van het mazelenvaccin of het doorgeven aan anderen. De gevestigde orde verwoord het zo:

“Hoewel het levende virusvaccins zijn worden BMR-, varicella- en rotavirusvaccins, aangeraden voor huishoudelijke contacten met een gezond immuunsysteem, omdat virusoverdracht zeldzaam is. Het gebrek aan virale shedding (verpreiden van het virus door gevaccineerden)  bij BMR neemt zorgen rondom besmetting weg. (44)

Maar is dat zo? Hoewel het onmogelijk werd gedacht illustreert het volgende geval het gevaar van door het vaccin veroorzaakte mazelen, waarbij de ziekte zich verspreidde vanuit een 2 jaar oude patiënt in British Columbia, Canada, in oktober 2013. Dit geval van door het vaccin-veroorzaakte (PCR bevestigd) mazelen vond 37 dagen na de BMR vaccinatie plaats.

“In dit verslag beschrijven we een geval van bof-mazelen-rode hond- (BMR) vaccin-geassocieerde mazelen… Tussen 29 augustus en 2 september 2013, vertoonden drie niet aan elkaar gerelateerde personen in Fraser Valley, British Columbia, Canada, een ziekte met exantheem consistent met klinische mazelen… Dit verslag documenteert het eerste geval van BMR vaccin-geassocieerde mazelen, 37 dagen na immunisatie… Hoewel dit het eerste gemelde geval is vertegenwoordigt het waarschijnlijk het bestaan van andere, niet geïdentificeerde uitzonderingen op de typische tijdsraming van ziekte en shedding van het mazelen vaccin-virus.” (45)

Gezondheidsofficials waren zo bezorgd over virale shedding van het gevaccineerde kind dat de aan alle vatbare contacten ofwel een vaccin ofwel mazelen-immunoglobuline gaven. Jammer genoeg sloot deze interventie nauwkeurig volgen van ziekte door vaccin shedding aan contacten uit.

12. Is het wel echt “mazelen”?

“Griep” wordt in principe gedefinieerd als een koorts van 37.7C of hoger of een koortsachtig gevoel (niet iedereen met griep krijgt koorts), hoesten en/of keelpijn, een loopneus of verstopte neus, hoofdpijn en/of lichamelijke pijn, koude rillingen en vermoeidheid. Als je dit ervaart denk je dat je griep hebt. Toch? Eigenlijk niet. Wat vaak slecht begrepen wordt is dat een persoon eigenlijk een syndroom heeft (influenza-achtige ziekte) (Influenza Like Illness of ILI) welke veroorzaakt kan worden door diverse elementen. Slechts een deel van dit syndroom wordt veroorzaakt door influenza A en B virussen, maar onderscheidende diagnosis op grond van klinische verschijnselen alleen is niet mogelijk. In andere woorden, alleen omdat jij of je dokter denkt dat je “griep” hebt betekent niet dat je het influenza virus hebt.

In een editorial door Thomas Jefferson van de ‘Cochrane Vaccine Field’ in 2009 werd uitgelegd wat de exacte incidentie van ILI is en welk percentage daadwerkelijk veroorzaakt wordt door het influenzavirus. Gebruik makend van perspectivische studies bepaalde de Cochrane groep dat gedurende het winterseizoen ongeveer 7% van de bevolking ziek worden van ILI -93% niet. Van die 7% is maar een klein deel door influenza -11% influenza, 6% RSV [Respiratoir syncytiaal virus], 3% Rhinovirus, 2% PIV [Parainfluenza Virus], en een overdonderende 77% door onbekende oorzaken. Gebaseerd op deze gegevens was de conclusie:

“…het hier gepresenteerde bewijs wijst naar influenza als een relatief zeldzame oorzaak van ILI en een relatief zeldzame ziekte. Het volgt dat vaccins misschien geen toepasselijke preventieve interventies zijn voor ofwel influenza ofwel ILI.” (46)

Dus hoe zit dat met mazelen? Een studie uit 2002 onderzocht 195 kinderen met exantheem en hoge koorts. Uitgebreid laboratoriumonderzoek toonde aan dat geen van hen mazelen of rubella hadden. Er werd vastgesteld dat kinderen parvovirus B19, groep A streptokokken (GAS), humaan herpesvirus type 6, enterovirus, adenovirus en groep C streptokokken hadden.

“Bij veel kinderen met een exantheem/koorts-ziekte is er bewijs van ofwel een GAS-infectie of parvovirus B19-infectie. GAS-infectie wordt gewoonlijk geassocieerd met keelpijn maar kan roodvonk veroorzaken, vooral in oudere kinderen… Deze studie herbevestigd de leidraad dat alle kinderen met vermoedelijke mazelen en rubella onderzocht moeten worden en dat alternatieve diagnoses overwogen moet worden. Het is waarschijnlijk dat er een andere infectie wordt vastgesteld dan mazelen, in het bijzonder als conjunctivitis ( rode ogen) geen kenmerk is.” (47)

Deze studie leek op een eerdere studie die ontdekte dat een aantal mazelengevallen eigenlijk geen mazelen waren.

“Rubella en parvovirus B19 lijken verantwoordelijk te zijn voor een minderheid in incorrect gediagnosticeerde mazelengevallen in het Verenigd Koninkrijk, en dat naar andere infectueuze oorzaken van mazelen-achtige ziekten moet worden gezocht.” (48)

Incidentie (de mate van voorkomen) van mazelen was altijd afhankelijk van de klinische diagnose van een arts zonder laboratoriumbevestiging. Nu laboratoriumtests beschikbaar zijn blijkt er meestal geen sprake te zijn van mazelen, maar in de meeste gevallen van “mazelen”. Als je denkt dat je de “griep” hebt is het meestal ILI (influenza-achtige-ziekte) en als je denkt dat je de mazelen hebt is het eigenlijk MLI (mazelen-achtige-ziekte).

“MLI (Mazelen-Achtige-Ziekte) is veel voorkomend, vooral in jongere leeftijdsgroepen, en kan worden veroorzaakt door gevarieerde pathogenen die klinisch moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn zonder laboratoriumbevestiging. In volgorde van frequentie zijn andere veel voorkomende virale oorzaken van exantheem-achtige ziekte – parvovirus B19, rubella, cytomegalovirus en Epstein-Barr virus – geïdentificeerd in onze studie.” (49)

Dus hoe accuraat waren de statistieken van mazelen incidentie in 1950 en later? Zoals een redacteur vroeg in 1997, hoe kon de effectiviteit van het mazelenvaccin bepaald worden als het diagnosticeren van mazelen zo lastig is?

“Mazelen wordt volgens nieuwe data van de ‘Public Health Laboratory Service’ verkeerd gediagnosticeerd in 97 procent van de gevallen… Hiermee proberen we absoluut niet te zeggen dat huisartsen niet goed zijn in het stellen van een diagnose. Deze bevindingen tonen aan hoe lastig het is om een diagnose te stellen alleen op basis van klinische symptomen. Elke arts zou het lastig vinden om virussen uit elkaar te houden… (Redacteur:  Het zou interessant zijn om te weten hoe lang de misdiagnose van mazelen al plaatsvindt  Misschien de afgelopen dertig jaar of langer? Hoe kunnen ze in dat geval zeker zijn van de effectiviteit van het mazelenvaccin?)” (50)

Werden gevallen van mogelijke mazelen niet langer gediagnosticeerd als mazelen toen vaccinatie eenmaal wijdverspreid in gebruik waren? Was deze verfijning van diagnose verantwoordelijk voor een groot deel van de afname in vastgelegde mazelenincidentie bij gebruik van vaccinaties met een algemeen erkende slechte werking?

13. Afname van ziekte-incidentie?

Na de introductie van het mazelenvaccin in 1963 was er een schijnbare afname van incidentie. Dit is zichtbaar in grafieken van het CDC en anderen. Deze grafieken vormen de basis voor veel van de lof die het mazelenvaccin ontvangen heeft.

Houd in je achterhoofd dat als je een vaccin gekregen had, zelfs als je koorts ontwikkelde die even hoog of hoger was te verwachten is bij mazelen, je niet meegeteld werd als “mazelengeval”. Statistieken voor mazelen incidentie werden bijgehouden, maar niet voor hoeveel bijwerkingen er waren. Voor de ernstiger verlopende ziekte – atypische mazelen – werd incidentie niet gevolgd, dus die maakten geen deel uit van de statistieken. Zelfs tegenwoordig heeft de BMR (Bof-Mazelen-Rode hond) een erkende lijst van bijwerkingen. (51) Maar als er een reactie optreed wordt dat niet opgenomen in de mazelenincidentie – zelfs niet als de reactie ernstiger was dan natuurlijke mazelen. BMR vaccin reacties:

Milde problemen

Koorts (tot 1 persoon op 6)
Milde uitslag (ongeveer 1 persoon op 20)
Opzwellen van klieren in de wangen of nek (ongeveer 1 persoon op 75)

Matige problemen

Insult (schokken of staren) veroorzaakt door koorts (ongeveer 1 op de 3000 dosissen)
Tijdelijke pijn en stijfheid in gewrichten, voornamelijk bij tieners, of volwassen vrouwen (tot 1 op 4)
Tijdelijke lage hoeveelheden bloedplaatjes, wat een bloedafwijking kan veroorzaken (ongeveer 1 op de 30.000 dosissen)

Ernstige problemen (Zeer zeldzaam)

Ernstige allergische reactie (minder dan 1 op de miljoen dosissen)
Enkele andere ernstige problemen zijn gemeld nadat een kind het BMR-vaccin kreeg, inclusief:

Doofheid
Lange termijn insulten, coma of verlaagd bewustzijn
Permanente hersenbeschadiging

Voor de introductie van het vaccin in 1963 was de incidentie van mazelen langzaam aan het afnemen.

grafiek

Was mazelen sowieso langzaam minder ernstig aan het worden? We weten dat mazelen in 30 procent van de gevallen subklinisch (zonder merkbare symptomen) kan zijn (52) en de sterfgevallen waren al snel gedaald. Was de ziekte langzamerhand aan het opbranden net als pokken? Droeg de toename van borstvoeding en verbeterde voeding bij aan het dalen van de hoeveelheid gediagnosticeerde gevallen? Hoe veel gevallen geregistreerd als mazelen op basis van klinische diagnose waren eigenlijk andere virussen? Kunnen we de statistiek over mazelenincidentie überhaupt vertrouwen?

Als de trend zoals gezien in de grafiek van mazelenincidentie had doorgezet zou mazelenincidentie gereduceerd zijn tot nul in het jaar 2000. Toevallig is het jaar 2000 hetzelfde jaar waarin het CDC mazelen uitgeroeid verklaarde in de Verenigde Staten.

14. Mazelen is niet ernstig in goed gevoede mensen

Hoe erg is mazelen nou echt? Zoals we hebben gezien was mazelen historisch gezien een ernstige ziekte die dodelijk kon zijn. Zelfs tegenwoordig is de mortaliteit door mazelen 200-400 maal groter onder slecht gevoede kinderen dan onder goed gevoede kinderen in ontwikkelde landen. (53)

“Mazelen blijft een van de hoofdoorzaken van kindersterfte in landen waar ondervoeding, slechte hygiëne en onvoldoende medische zorg aanwezig zijn… Mazelen is vaak een dodelijke ziekte onder sociaal-economisch achtergestelde kinderen in tropische landen.” (54)

In de medische en historische literatuur is het is al lang erkend dat mazelen voor goed-gevoede kinderen meestal een milde ziekte is. Voor de uitvinding van een mazelenvaccin werd het feit dat de mazelen niet langer een grote dreiging vormden grondig erkend. Uit de ‘British Medical Journal’ in 1959:

“Om een idee te geven van de hoofdkenmerken van de ziekte zoals hij vandaag verschijnt en hoe het best te behandelen is, hebben we een aantal huisartsen uitgenodigd om korte verslagen te schrijven over de gevallen die zij recent in hun praktijken hebben gezien… Deze schrijvers zijn het met elkaar  eens dat mazelen tegenwoordig gewoonlijk een milde infectie is, en dat ze zelden aanleiding zien om profylactische gammaglobuline toe te dienen. (55)

Bij het merendeel van de kinderen is de hele episode goed en wel voorbij in een week tijd, vanaf de prodromale fase tot het verdwijnen van de uitslag, en veel moeders hebben opgemerkt “hoeveel goed de ziekte  hun kinderen heeft gedaan” aangezien ze merkbare verbeteringen laten zien op vele vlakken na het doormaken van de mazelen… In deze praktijk wordt mazelen gezien als een relatief milde en onvermijdelijke kinderziekte die het best wordt doorgemaakt kan worden in  de leeftijd vanaf 3 tot 7 jaar oud. Over de laatste 10 jaar zijn er weinig ernstige complicaties geweest op elke leeftijd, en zijn alle kinderen volledig hersteld. Als gevolg van deze redenatie zijn er geen speciale pogingen gedaan om de ziekte  te voorkomen, zelfs bij zuigelingen, bij wie aangetoond is dat de ziekte geen gevaar vormt.” (56)

Hoewel er met geen enkele infectieziekte lichtvoetig om moet worden gegaan hoeft er voor een ziekte zoals mazelen, met het belangrijke voordeel van resulterende levenslange immuniteit,  geen angst te zijn als er goed mee omgegaan wordt door middel van goede voeding, vitamine A in farmaceutische dosis en voldoende rust. Voeding en hygiëne staan altijd op de achtergrond ten opzichte van medische interventies zoals vaccinatie, ondanks het feit dat deze zonder enige twijfel de redenen waren voor de afname van de ernst van infectieziektes uit het verleden. Als er echter een geval van mazelen gemeld wordt (waarover we geleerd hebben dat het vaak gaat om een MLI), worden de ambtenaren en media panisch en overgieten het publiek met irrationele angst in plaats van logische en redelijke pogingen tot educatie te ondernemen. Volksgezondheidsofficials zouden bijvoorbeeld het gebruik van vitamine A, vitamine C, vloeistof en bedrust kunnen aanraden om enige problemen ondervonden van mazelen te verminderen.

De efficientie van het cellulaire systeem is verbonden met de inname van voedingsstoffen, inclusief vitamine A, vitamine C, zink, selenium en vitamine B-rijke proteïnen. Slechte voeding leidt tot verslechterde cellulaire immuunreacties, welke resulteren in slechtere uitkomsten na mazeleninfectie of -blootstelling. (57)

In 1988 was er een uitbraak van mazelen onder de Amish (bevolkingsgroep in USA) waar men al 18 jaar geen mazelen meer had meegemaakt. De Amish vermijden vaccinaties over het algemeen op religieuze gronden en tijdens de uitbraak werden er vaccinatie-klinieken opgezet waarbij er slechts 14 voor vaccinatie kozen. Van de 130 gemelde gevallen van mazelen hadden de meesten geen moeilijkheden, met maar 5 patiënten die contact opnamen met een arts en 2 die werden opgenomen. Er werden geen details beschreven voor de gehospitaliseerde gevallen, inclusief hun algehele gezondheid en voedingsstatus. Stel je voor dat de gemeenschap voldoende was geadviseerd over vitamine A en andere positieve strategieën in plaats van enkel te vertrouwen op vaccinatie?

“De gemeenschappelijke beoordeling van mazelen patiënten in deze uitbraak toonde aan dat de kinderen met mazelen over het algemeen mild waren. Analyse van mate van ernst van mazelen toonde niet aan dat de ziekte ernstiger was in secundaire- vergeleken met primaire gevallen.” (58)

Conclusie

Door het vernislaagje van het mazelenvaccin af te krabben kunnen we een grote hoeveelheid feiten te ontdekken die het hele idee over het vaccineren van de gehele menselijke bevolking van de wieg tot het graf in twijfel trekken.

Er werd ons verteld dat er een vaccin was uitgevonden om mazelen uit te roeien, en we zouden allemaal nog lang en gelukkig leven. Maar zoals we gezien hebben is dat niet het geval. Jammer genoeg heeft de term ‘vaccin’ een magische, cult-achtige status gekregen in onze maatschappij.
Plak ergens de term vaccin op en het wordt onmiddellijk ‘veilig en effectief’ voor het gros van de mensen. Het maakt niet uit wat de ingrediënten zijn, wie het heeft geproduceerd, hoe het gemaakt is, of wat de dubieuze geschiedenis ervan is. Vaccins zijn altijd dé toverstaf voor elke ziekte. Zonder vragen.

We weten nu dat tegen de tijd dat het mazelenvaccin werd ingevoerd, de sterfgevallen gedaald waren tot bijna nul, gelijk met een verminderd voorkomen van de ziekte. Er werd ons beloofd dat een enkele prik levenslange bescherming zou bieden en dat als de ‘juiste’ hoeveelheid kinderen gevaccineerd zou worden, de ziekte tegen 1967 uitgeroeid zou zijn. In plaats daarvan moeten we nu alle kinderen minstens 2 vaccinaties krijgen met minder dan levenslange bescherming. Terwijl bij natuurlijke blootstelling aan mazelen de persoon meestal betrouwbare levenslange immuniteit had, krijgt nu het gevaccineerde kind tijdelijke immuniteit. Omdat de natuurlijke, levenslange senioren uitsterven, krijgen gevaccineerde personen nu het advies om vaccins voor volwassenen te halen. (59) Deze dynamiek van afnemende immuniteit zal er waarschijnlijk voor zorgen dat we zelfs mazelenepidemieën gaan zien in grondig gevaccineerde populaties.

Vanwege een vroeg en simplistisch begrip van het immuunsysteem is er altijd een kortzichtige obsessie geweest met een enkel aspect van het immuunsysteem – de antilichamen. Deze obsessie zette voort ondanks het vroeg ontwikkelde begrip dat het herstellen van mazelen alleen een goed gevoed immuunsysteem vereist, en zeker geen antilichamen. Essentiële voedingsstoffen zoals vitamine A en C en andere benaderingen zonder vaccins zijn praktisch genegeerd. Deze ingrediënten waren de sleutel tot een gezond immuunsysteem en volledig herstel van mazelen of andere infecties.
Niet minder belangrijk is dat, wanneer iemand de mazelen dacht te hebben, ze eigenlijk MLI (mazelen-achtige ziekte) hadden, welke het gevolg kan zijn van een andere oorzaak dan het mazelenvirus.

Jammer genoeg worden de slachtoffers van medische experimenten nooit geteld. Degenen die erger hebben geleden dan ze zouden hebben gedaan als ze natuurlijke mazelen hadden gehad, degenen die hebben geleden onder of zijn overleden aan atypische mazelen, degenen die het mazelenvaccin ontvingen en later aan andere infecties stierven, zij krijgen nooit een plek op de bladzijden van een heldensprookje. Zoals Dr. Charles Cyril Okell in 1938 zei:

“…zonder propaganda kan er natuurlijk geen grootschalige vaccinatie zijn, maar hoe gevaarlijk is het om propaganda te vermengen met wetenschap. Als we in eenvoudige, begrijpelijke taal de kale, volledige waarheid zouden vertellen is het twijfelachtig of het publiek vaccins zou accepteren… Het is onvermijdelijk dat er ongelukken en fouten gemaakt worden, maar als zij plaatsvinden wordt hetgeen een leerzame les zou moeten zijn meestal onderdrukt of onherkenbaar verdraaid. (60)

Bronnen:

  1. 50 years after vaccine, measles still poses a threat, THV11, December 2013, www.thv11.com/news/article/290276/2/50-years-after-vaccine-measles-still-poses-a-threat?odyssey=tab|topnews|bc|large
  2. Clive E. West, PhD, DSc, “Vitamin A and Measles,” Nutrition Reviews, vol. 58, no. 2, February 2000, p. S46.
  3. Vital Statistics of the United States 1937, 1938, 1943, 1944, 1949, 1960, 1967, 1976, 1987, 1992; Historical Statistics of the United States— Colonial Times to 1970 Part 1; Health, United States, 2004, US Department of Health and Human Services; Vital Records & Health Data Development Section, Michigan Department of Community Health; US Census Bureau, Statistical Abstract of the United States: 2003; Reported Cases and Deaths from Vaccine Preventable Diseases, United States, 1950–2008.
  4. Vital Statistics of the United States 1963, Vol. II—Mortality, Part A, pp. 1–18, 1–19, 1–21.
  5. Record of mortality in England and Wales for 95 years as provided by the Office of National Statistics, published 1997; Report to The Honourable Sir George Cornewall Lewis, Bart, MP, Her Majesty’s Principal Secretary of State for the Home Department, June 30, 1860, pp. a4, 205; Essay on Vaccination by Charles T. Pearce, MD, Member of the Royal College of Surgeons of England; Parliamentary Papers, the 62nd Annual Return of the Registrar General 1899 (1891–1898).
  6. James Tyson MD, The practice of medicine: a text-book for practitioners and students with special reference to diagnosis and treatment, 1910, p. 116.
  7. “Measles Vaccine Effective in Test—Injections with Live Virus Protect 100 Per Cent of Children in Epidemics,” New York Times, September 14, 1961.
  8. T. Rønne, “Measles Virus Infection Without Rash in Childhood Is Related to Disease in Adult Life,” The Lancet, vol. 325, no. 8419, January 1985, pp. 1–5.
  9. J. D. Cherry, “The ‘New’ Epidemiology of Measles and Rubella,” Hospital Practice, vol. 15, no. 7, July 1980, pp. 49–57.
  10. Case of vaccine-associated measles five weeks postimmunisation, British Columbia, Canada, October 2013, http://www.eurosurveillance.org/
  11. Vincent A. Fulginiti, MD; Jerry J. Eller, MD; Allan W. Downie, MD; and C. Henry Kempe, MD, “Altered Reactivity to Measles Virus: Atypical Measles in Children Previously Immunized with Inactivated Measles Virus Vaccines,” Journal of the American Medical Association, vol. 202, no. 12, December 18, 1967, p. 1080.
  12. D. Griffin et al., “Measles Vaccines,” Frontiers in Bioscience, vol. 13, January 2008, pp. 1352–1370.
  13. “Death from Measles, Possibly Atypical — Michigan,” Morbidity and Mortality Weekly Report, June 29, 1979, vol. 28, no. 25, pp. 298-299.
  14. Morbidity and Mortality Weekly Report, August 12, 1967, vol. 16, no. 32, p. 269.
  15. David J. Sencer, MD; H. Bruce Dull, MD; and Alexander D. Langmuir, MD, “Epidemiologic Basis for Eradication of Measles in 1967,” Public Health Reports, vol. 82, no. 3, March 1967, p. 256.
  16. Goal to Eliminate Measles from the United States, Morbidity and Mortality Weekly Report, October 13, 1978, vol. 27, no. 41, p. 391.
  17. Lisa Belkin, “Measles, Not Yet a Thing of the Past, Reveals the Limits of an Old Vaccine,” New York Times, February 25, 1989.
  18. “Measles Outbreaks in 2011 Were Worst in 15 Years: CDC,” Health Day News, April 19, 2012.
  19. Morbidity and Mortality Weekly Report, March 25, 1967, vol. 16, no. 12, p. 100.
  20. “Thaler to Hold State Senate Hearing to Find Fastest Way to Expedite Plan,” New York Times, February 24, 1965.
  21. Measles Outbreak Control, Morbidity and Mortality Weekly Report, September 9, 1977, vol. 26, no. 36, pp. 294-299.
  22. Measles Prevention, Morbidity and Mortality Weekly Report, November 3, 1978, vol. 27, no. 44, pp. 427-437.
  23. www.cdc.gov/mmwr/preview/mmwrhtml/mm6105a5.htm
  24. Lawrence K. Altman, “2d Measles Shot Urged For Everyone Under 32,” New York Times, July 20, 1989.
  25. Vaccines, 6th Edition, p. 1403.
  26. Mark S. Dine, Sonja S. Hutchins, Ann Thomas, Irene Williams, and William J. Bellini, et al., “Persistence of Vaccine-Induced Antibody to Measles 26–33 Years After Vaccination,” Journal of Infectious Diseases, 2004, p. S123.
  27. Waning Immunity and Its Effects on Vaccination Schedule, Mathematical Biosciences, 1194, pp. 79-80.
  28. J. M. Heffernan and M. J. Keeling, “Implications of Vaccination and Waning Immunity,” Proceedings of the Royal Society B, vol. 276, 2009.
  29. Cherry JD, The ‘new’ epidemiology of measles and rubella, Hospital Practice, 1980, pp. 49–57.
  30. Oxford Textbook of Medicine, vol. 1, 2005, p. 357.
  31. Irja Davidkin, Mia Kontio, Mikko Paunio and Heikki Peltola, “MMR vaccination and disease elimination: the Finnish experience,” Expert Rev. Vaccines, 2010, p. 1050.
  32. Measles Outbreak Control, Morbidity and Mortality Weekly Report, September 9, 1977, vol. 26, no. 36, pp. 294-299.
  33. Lawrence K. Altman, “2d Measles Shot Urged For Everyone Under 32,” New York Times, July 20, 1989.
  34. “Measles as an Index of Immunological Function,” The Lancet, September 14, 1968, p. 611.
  35. P. J. Lachmann, “Immunopathology of Measles,” Proceedings Royal Society of Medicine, vol. 67, November 1974, p. 1120.
  36. Wafaie W. Fawzi, MD; Thomas C. Chalmers, MD; M. Guillermo Herrera, MD; and Frederick Mosteller, PhD, “Vitamin A Supplementation and Child Mortality: A Meta-Analysis,” Journal of the American Medical Association, February 17, 1993, p. 901.
  37. Prakash Shetty, Nutrition Immunity & Infection, 2010, p. 82.
  38. Fred R. Klenner, MD, “The Treatment of Poliomyelitis and Other Virus Diseases with Vitamin C,” Southern Medicine & Surgery, July 1949.
  39. “Cinnamon Stops Measles,” New York Times, August 12, 1917.
  40. “Cinnamon as a Preventive of Measles,” American Druggist Pharmaceutical Record, New York, November 1919, p. 47.
  41. S. Songül Yalçin, MD, and Kadriye Yurdakök, MD, “Sex-Specific Differences in Serum Vitamin A Values After Measles Immunization,” The Pediatric Infectious Disease Journal, 1999, p. 747.
  42. Kenneth Sim and Timonthy W. Evans, “Lessons from Measles Vaccination in Developing Countries,” British Medical Journal, vol. 307, November 1993, pp. 1205.
  43. N. P. Thompson, S. M. Montgomery, R. E. Pounder, and A. J. Wakefield, “Is Measles Vaccination a Risk Factor for Inflammatory Bowel Disease?” The Lancet, April 29, 1995, p. 1073.
  44. “Vaccines in Immunocompromised Patients,” Pediatrics in Review, vol. 31, no. 1, January 2010, pp. 38-40.
  45. Case of vaccine-associated measles five weeks postimmunisation, British Columbia, Canada, October 2013, www.eurosurveillance.org/
  46. Tom Jefferson, Cochrane Vaccines Field, Clinical Evidence, October 5th, 2009, clinicalevidence.bmj.com/x/mce/file/05-10-09.pdf
  47. M Ramsay, M Reacher, C O’Flynn, R Buttery, F Hadden, B Cohen, W Knowles, T Wreghitt, D Brown, “Causes of morbilliform rash in a highly immunized English population,” Archives of Disease in Childhood, 2002, p. 205
  48. David WG Brown, Mary E B Ramsay, Alison F Richards, Elizabeth Miller, “Salivary diagnosis of measles: a study of notified cases in the United Kingdom, 1991-3,” British Medical Journal, vol. 308, April 1994, p. 1016.
  49. Wang, et al., “Evaluating measles surveillance using laboratory-discarded notifications of measles-like illness during elimination,” Epidemiol. Infect. 2007, p. 1366.
  50. “GPS MISDIAGNOSE MEASLES IN 97% OF CASES,” PULSE, January 18, 1997.
  51. www.cdc.gov/vaccines/vac-gen/side-effects.htm
  52. S.D.Kandpal, K.S.Negi, Z.Khan, and A. Malik, “Measles Antibody Status Amongst Nine Months Five Years Unvaccinated Children,” Indian Journal of Preventive and Social Medicine, vol. 34, no. 1, 2003
  53. M. Gabr, “Undernutrition and Quality of Life,” World Review of Nutrition & Dietetics, vol. 49, 1987, pp. 1–21.
  54. Paul D. Hoeprich, Infectious Diseases: A Modern Treatise of Infectious Processes, Harper and Row Publishers, 1977, pp. 691, 696.
  55. Measles Epidemic, British Medical Journal, February 7 1959, p. 354.
  56. Vital Statistics, British Medical Journal, February 7 1959, p. 381.
  57. D. N. McMurray, “Cell-Mediated Immunity in Nutritional Deficiency,” Progress in Food & Nutrition Science, 1984, p. 193.
  58. Ronald W. Sutter, et al., “Measles among the Amish: A comparative Study of Measles Severity in Primary and Secondary Cases in Households,” Journal of Infectious Diseases, 1991, p. 15.
  59. Recommended Adult Immunization Schedule, by Vaccine and Age Group, CDC, United States, 2014, www.cdc.gov/vaccines/schedules/hcp/imz/adult.html
  60. Charles Cyril Okell, “From a Bacteriological Back-Number,” The Lancet, January 1, 1938, pp. 48–49.

 

 

Bron originele artikel: http://www.greenmedinfo.com/blog/measles-and-measles-vaccines-14-things-we-consider

Vertaald door: Myrna van der Molen